Oud-ns-amersfoort.jouwweb.nl
Home » Regiohuis
reghakurt.jpg
Gdl.jpg
regioplus.jpg
regiokantt.jpg
regiio-1.jpg
reegio-1.jpg
regwagenv.jpg
regiowijsman.JPG
regiowKunst.jpg

                 Willem Kunst, John vd Berg en Wil Roovers

 

regiouitzicht.jpg

       Het uitzicht van de Goederendienstleider

regjansen.jpg
rggdlgouw.jpg
gerda.jpg

Vrouwelijk Schoon van het Rayonkantoor op bezoek. Gerda op de Haar en Margriet Veerkamp verder Eric Mochèl, Chris Smeekes en Bertus Visser.

regioA-1.jpg
ggoplok-1.jpg
gOntvDoc-1.jpg
aareuvekamp-1.JPG
aabrouwer-1.JPG

                      Ruud Reuvekamp en Dirk Nijdam                                                    Guus Brouwer, Willem Vermaak en Janssen 

Wagenverdeler W.v.E had een bijbaan", taxirijder. Veel NS 'ers hadden een bijverdienste, niets mis mee. W.v.E echter had zich ziek gemeld en stond met zijn taxi voor het station. Komt daar de bedrijfsarts aan om de zieke W.v.E te bezoeken en stapt bij hem in de taxi en geeft het adres op van W. Toen kwam de aap uit de mouw. W.v.E. werd op staande voet ontslagen.  

corjansenA.jpg
corjansenB.jpg

                   Klaverjassen tijdens een pauze. Hans Ossendrijver, Cor Jansen, Gerrit Reins en Lammert Kleefman.

gguitje90-1.jpg
regschi-1.jpg

                                              Beelden van het uitje Januari 1990 van het Regiohuis bij Schimmel in Woudenberg

regvisser.jpg
regjoke.jpg
regioD.jpg
gschim.jpg
gguitjeschimmel-2.jpg
gdouwe-1.jpg
ggeten-1.jpg
schimmel.jpg
regbiljart.jpg
regbowl.jpg
regioA.jpg
regiooE.jpg

VAN LOCOMOTIEFPOETSER TOT CHEF-LADINGMEESTER (Ingekort Uit Verzonken spoor door G.H. Jansen)

Minte Mulder (Groningen 1904)

“Er is geen viezer baantje dan locpoetser. Je had wel een ketelpak aan maar als ik thuiskwam en mijn vrouw ging mijn rug wassen, dan had ik vaak zúlke plekken olie op mijn rug. Dat trok in je kleren. Maar je was blij dat je werk had. Er waren in die tijd 365.000 werklozen in Nederland, dus toen ik bij het spoor kwam was dat een lot uit de loterij. Ik was in armoede opgegroeid. Ik ben geboren in een éénkamerwoning van vier bij vier meter in Groningen. We hadden geen elektriciteit, geen waterleiding, alleen een gaslampje. Mijn vader verdiende zes gulden in de week als loopknecht voor een likeurstokerij en daar ging nog een gulden vanaf voor de huur. Ik was eigenlijk meubelmaker van mijn vak. Mijn moeder vond dat wij een vak moesten leren. In 1928 ben ik als los locpoetser bij het spoor gekomen. Ik had vóór die tijd los werk gehad bij het vrachtgoed, maar dat was seizoenswerk. Toen kreeg je bij tractie de bietencampagne en daar werden de poetsers bij ingeschakeld en werden er nieuwe locpoetsers gevraagd. Dat ik die baan kreeg, kwam omdat ik bij de muziekvereniging van de spoorwegen zat. Ik ging van een uitkering van elf gulden vijfentachtig in de week naar een weekloon van vierentwintig gulden en ik hoefde niet meer elke dag een stempeltje te komen halen. Bij mijn vaste aanstelling begon ik met een bruto jaarloon van 1446 gulden en daarvoor deed ik dan vroege dienst, late dienst, nachtdienst en allerlei vieze karweitjes. In 1941 heb ik overplaatsing gevraagd van tractie naar vervoer, als rangeerder, en op 17 december ben ik in Uitgeest begonnen. Die overstap was een promotie, want locpoetser was schaal één en arbeider-rangeerder schaal twee.

In 1944 heb ik weer overplaatsing gevraagd en kon toen kiezen tussen Amsterdam en Amersfoort. Het werd Amersfoort, eerste klas standplaats. Per 1 oktober 1944 kon ik beginnen….. Maar op 17 september brak de spoorwegstaking uit. Ik ben negen maanden ondergedoken geweest. Na de oorlog kwam ik in Amersfoort als rangeerder in schaal vijf. Amersfoort heeft een nogal groot emplacement, ook door de centrale werkplaats. We hadden hier bij elkaar 72 sporen liggen, met de werkplaats mee 105. Je hebt hier twee heuvels. De lage heuvel gebruikten ze voor de zomer, de hoge heuvel voor als het vroor. Vergeleken met m’n vorige baan als locpoetser was het rangeren natuurlijk veel schoner werk. We kregen een corduroy broek, een blauw jasje en een pet. Voor de winter een jas met bontvoering. Bij het seinhuis was een rangeermeester en een voorman-rangeerder. De voorman-rangeerder haalde de treinen en maakte de bonnen klaar. Je kreeg je bon, bijvoorbeeld 48, 49, 50 en 51, enzovoort. Vervolgens werd de trein over de heuvel geduwd. Je moest vier sporen bedienen. Het sloffen moest met beleid gebeuren, je legde de remslof zo ver van de wagen af dat hij er niet met geweld tegenop reed.

Je moest vreselijk opletten bij het rangeren, vooral ’s winters met die sneeuw. En tussen de buffers. Je moet de luchtslangen vastzetten en die trein beweegt maar en je zit er tussen en je moet hem vastkoppelen. Het was een heel gevaarlijke baan. In 1949 werd ik afgekeurd wegens kleurenblindheid. Ik kon toen onderladingmeester worden. Ik was blij dat ik bij het spoor kon blijven. Je werkte op de heuvel. De conducteur die de goederentrein binnenbracht, leverde de bijbehorende vrachtbrieven in op het vrachtgoederenkantoor. Wij zorgden dat de vrachtbrieven bij de juiste vertrekkende trein kwamen. Ik heb wat afgelopen langs al die treinen, want je had ook nog de treinen die op de goederensporen stonden. Je had 18 en 19, dat was Douane; 20 was voor Koender, kolenwagens, dan de veelading. En de lossporen, naar Noack, naar Pon, enzovoort.

In 1954 werd ik bevorderd tot ladingmeester goederentreinen. Van alle typen wagens moest je de bijzonderheden- soort lading, capaciteit, snelheid en dergelijke- in je hoofd hebben. Verder moest je alle 690 plaatsen aan de spoorlijn kennen. In 1956 ben ik chef-ladingmeester geworden. Het boterde niet zo goed met de wagenverdeling in Utrecht. In 1967 werd de gasfabriek afgebroken, ik regelde dat Kaptein en Mijdrecht, twee aannemers het schroot afvoerden met het spoor maar dat werd mij in Utrecht kwalijk genomen.

In 1969 ging ik met pensioen. Mijn mooiste jaren heb ik in m’n gepensioneerde tijd meegemaakt. We hebben geen zorgen meer. Je kunt een paar centen opzij leggen, je kunt de kleinkinderen wat geven, je kunt de kinderen wat toestoppen. Dat kon vroeger nooit. Mijn ouders heb ik onderhouden tot aan de laatste jaren toe. We hebben in ons leven een evolutie beleefd van arm naar rijk. We hebben een leven meegemaakt zoals onze ouders, onze grootouders nooit hebben gehad. Vaak kom ik thuis en dan sta ik zo mijn kamer rond te kijken en dan zeg ik “Zó woonden vroeger in de stad de dokter, de advocaat, de directeur. Wie had ooit gedacht dat wij het ook nog eens zo zouden krijgen?”

Minte Mulder en zijn vrouw bewoonden zelfstandig een eengezinswoning in het Soesterkwartier te Amersfoort.